Author Archives: Arwen van Grafhorst

  • 0

Nieuwendammerstraat 23

Amira, Carlos en Samya hebben zin in het interview met Toon Dudok. Hij woont al sinds zijn geboorte in hetzelfde huis en weet goed wat zich in Noord afspeelde tijdens de Tweede Wereldoorlog. We bellen aan en mevrouw Dudok doet open. ‘Hij is even boodschappen aan het doen hoor.’ Bep Dudok begint te vertellen over haar oorlogstijd in Amsterdam-Noord en blijkt zelf ook veel te hebben meegemaakt. Gelukkig maar, want meneer Dudok komt pas na een half uur binnen!

 

Wat is u het meest bijgebleven van de oorlog?

Bep: “Het bombardement op de Ritakerk vergeet ik nooit meer. Die dag was in de Ritakerk iets feestelijks te doen. Alle kinderen van onze school waren er; meisjes en jongens zaten gescheiden op de banken, met een hoedje op. Toen kwam er een bombardement. Zoals altijd begon het met een alarm en vervolgens sloeg er achterin de kerk een bom in. Er bleef een grote krater achter. Ik kan mij nog goed voor de geest halen dat het altaar helemaal grijs was van al het stof. Iedereen begon te gillen en te huilen. Wij liepen naar achter, om de krater heen, naar buiten. Overal lagen takken en stenen, het zag er niet uit.  We renden snel naar huis. Het huis van mijn ouders, dat dichtbij de kerk was, stond er gelukkig nog. Het huis daarachter was weg, de mensen waren in de grond geslagen. We gingen de schuur in de tuin in en ik kon nog snel mijn pop en beer pakken. Toen het alarm was afgelopen, waren we weer veilig. Het was een erg angstig moment.”


Had u onderduikers in uw huis?

“Mijn broer was ondergedoken in huis, omdat hij niet wilde werken in Duitsland. Soms werd er door de straten ‘Razzia!’ geschreeuwd. Dan kwamen de Duitsers kijken of er iemand in huis verstopt zat. Dat waren angstige momenten. Boven hadden we een gat in de zolder waar mijn broer dan in kroop, tot het weer over was. Mijn andere broer werd wel naar Duitsland gestuurd om daar te werken. Toen hij met verlof terug naar huis kwam, wilde hij niet meer terug. Hij verzon daarom een slim plannetje. De Duitsers waren erg bang voor ziektes. Mijn broer had eczeem en met een poedertje maakte hij dat alleen maar erger. Zo hoopte hij dat hij zou worden afgekeurd voor werk als de Duitsers hem zouden aanhouden. Achteraf denk ik dat mijn ouders in die tijd veel angst moeten hebben gehad.”

Wat kunt u zich nog herinneren van de oorlog?
Toon: “Aan het begin van de oorlog, in 1941-1942, zag je nog wel eens een luchtgevecht. Mijn moeder en mijn zusters zaten binnen verstopt in de kast. Mijn vader, mijn broer en ik stonden buiten te kijken. Wij vonden dat fantastisch. Er werd geschoten en om de zoveel kogels kwam er een lichtpatroon. Ik heb gelukkig nooit meegemaakt dat een vliegtuig werd geraakt.  Aan het begin van de oorlog hadden de Duitsers nog geen barakken en sliepen ze daarom op wat hooi bij ons in de Purmerschool. Achter ons huis waren allemaal landerijen. In 1941 hebben de Duitsers daar een stuk land toegeëigend en  barakken gebouwd voor de Duitse soldaten, met afweergeschut. Het werd het ‘moffenland’ genoemd. Ik ben wel eens in zo’n barak gaan kijken. Sommige soldaten waren ook maar gewone jongens, die daar naartoe waren gestuurd. Er zaten een paar fanatiekelingen bij, maar zeker ook hele normale mannen.”


  • 0

Kwartelstraat 53

Annie Onderwater woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog dichtbij basisschool Het Vogelnest, de school van Mohammed Amin, Sareena en Nurgül die haar komen interviewen. Ze weet veel te vertellen over de oorlog in de Vogelbuurt en dat vinden de kinderen wel interessant, net als de mooie spulletjes en foto’s uit die tijd die ze heeft bewaard. Ook de kat, die een beetje schuw is, komt tijdens het interview toch nog een kijkje nemen.

 

Wat deed uw vader in de oorlog?

“Hier heb je een persoonsbewijs van mijn vader. Hij was in de oorlog nog net in de leeftijd dat hij opgepakt zou kunnen worden om in Duitsland te moeten werken. Mijn vader werkte in een metaalfabriek in Noord. Op zijn werk hebben ze toen de datum op zijn persoonsbewijs veranderd, zodat hij twee jaar ouder was. Maar je ziet zo duidelijk dat het nep is, haha. De Duitsers trapten er toch in en hij is nooit opgepakt. Mijn vader had wel een verstopplek gemaakt in ons huis. Een kast in de gang achter een muurtje. Als er dan razzia was, verstopte hij zich daar. ‘Papa, papa ga in je hok!’, riep ik als ik op straat aan het spelen was en er een razzia was. Een broer van mijn vader is wel opgepakt. Hij heeft drie jaar in Duitsland, in Berlijn moeten werken. Hij heeft het daar wel goed gehad.”


Wat weet u over de bombardementen?

“Ik zat in de Ritakerk op het moment dat deze gebombardeerd werd. Om de hoek had je de scholengemeenschap waar ik op school zat en daar is ook een bom op gevallen. Dus of ik nou in de kerk zat of in de school, ik had altijd een bom op mijn kop gehad. Het was die dag feest, want de kerk bestond 25 jaar. De hele school was in de kerk om het te vieren. Toen de bom viel, werd het plotseling heel donker. Iedereen begon te schreeuwen en te gillen. Een van de zusters riep: ‘Ga allemaal onder de bank zitten, allemaal onder de banken gaan zitten!’ Ik dacht, ik ga niet onder die bank zitten, ik moet naar buiten! Ik zat dichtbij de uitgang. Toen ben ik naar huis gaan lopen, de brug over naar de Adelaarsweg. Ik zag op het trappetje bij de Mussenstraatschool (het huidige Vogelnest) een laars in de dakgoot hangen. Het bleek de laars te zijn van een neergeschoten piloot. Ik liep verder en was bang dat ons huis er niet meer stond. Gelukkig kwam ik mijn vader onderweg tegen. We hoorden dat iedereen naar het park was gevlucht, bij de Adelaarsweg, hoewel daar ook zes bommen waren gevallen. Mensen hadden kussens meegenomen die ze boven hun hoofd hielden. Ze dachten dat de bommen daar niet doorheen zouden komen. Dom natuurlijk. Ons huis was helemaal uit z’n voegen, geen raam of deur was meer heel. We konden niet meer in dat huis blijven en zijn toen zes weken in Den Bosch geweest bij mijn opa en oma. Ons huis werd in de tussentijd opgeknapt.”

Hoe was de Hongerwinter?
“Mijn zusje moest aan het einde van de oorlog, in januari 1945, naar de boeren in Noord-Holland. Organisaties in Noord brachten een bus vol kinderen daarheen want hier was geen eten. Mijn zusje mocht ook mee. Ze was vier jaar en ze heeft van januari tot na de bevrijding in Opdam in een boerderij gezeten, waar genoeg te eten was. Mijn vader haalde eten in Noord-Holland, op de fiets, aardappelen, groente en tarwe… Bij de pont stonden de Duitsers iedereen op te wachten en moesten de mensen alles direct bij hen inleveren. Wij hadden dus het geluk dat we in Noord woonden en dat we geen Moffen tegenkwamen die ons eten afpakten. Ik mocht ook naar de boeren, maar dat wilden mijn ouders niet. Allebei de kinderen weg vonden ze niet goed. Mijn moeder was zwanger van mijn broertje, die nota bene 8 pond woog bij de geboorte… heel zwaar dus, ondanks de Hongerwinter. Aan het einde van de oorlog vond mijn vader voedsel van een voedseldropping. We werden alleen meteen ziek van de chocola die erin zat, want dat waren we helemaal niet meer gewend!”


  • 0

Linnaeusstraat

Cees, Giyaissa en Moussa van basisschool Het Vogelnest in Noord hebben ontzettend veel vragen voor Lous Steenhuis-Hoepelman. Niet onterecht, want Lous heeft een bijzonder en dramatisch oorlogsverhaal met een goede afloop. Het verhaal maakt een diepe indruk, zeker omdat Lous een koffertje met spulletjes en foto’s bij zich heeft. Zelfs popje Mies, gekregen in concentratiekamp Westerbork, heeft Lous nog altijd bewaard.

 

Moest u onderduiken?
“Mijn familie is Joods. Mijn ouders waren politiek actief bij de communistische partij en hadden al vroeg door dat het slecht af zou lopen met de Joden in Duitsland en Nederland. Mijn oma was naaister en die wilde niet onderduiken. Ze dacht: ‘Ahh het zal wel meevallen in Auschwitz. Ik ben een goede naaister en die kunnen ze daar vast gebruiken’. Mijn vader en moeder zeiden nog tegen haar: ‘Je moet onderduiken, het is harstikke gevaarlijk, je wordt misschien wel doodgemaakt!’ Maar mijn oma wilde niet, zij is meteen naar Auschwitz afgevoerd en daar vermoord. Ik heb mijn oma dus nooit gekend. Daarom vind ik het zo bijzonder dat ik mijn allereerste jurkje, dat mijn oma voor mij gemaakt heeft, nog heb. Ik heb zelfs een foto waar ik dat jurkje aan heb. Mijn vader, moeder en ik gingen al in 1941 onderduiken. Uiteindelijk werd ik ondergebracht in een huis bij de Linnaeusstraat. Het werd alleen te gevaarlijk en toen hebben vrienden van mijn ouders een nieuwe plek voor mij gevonden in Bussum. Mijn vader is wel op dat oude adres achtergebleven en is daar verraden. Achteraf heb ik gehoord dat hij zich nog tegen de Duitsers heeft verzet en dat hij heeft geprobeerd te vluchten. Mijn moeder heeft de hele oorlog kunnen onderduiken en heeft de oorlog overleefd. Mijn vader is vermoord in Auschwitz. Ik ben uiteindelijk verraden door een ander Joods meisje dat samen met mij onderdook. Eerst kon ik mij dat nog wel voorstellen, het was nog een jong meisje. Later bleek dat ze al achttien jaar was en dat vind ik toch wel erg gemeen. Zij is trouwens uiteindelijk ook opgepakt en nooit meer teruggekomen. Ik wel.”

Hoe was het in het concentratiekamp?
“Ik werd eerst in een gevangenis in Amsterdam gestopt. Vanuit die gevangenis in Amsterdam ben ik naar Westerbork gebracht. Dat was een concentratiekamp in Nederland, in Drenthe. Er was een weeshuis waar vijftig kinderen zonder ouders werden ondergebracht. Het waren allemaal kinderen die verraden waren op hun onderduikadressen. Toen ik aankwam in Westerbork, kreeg ik Miesje, een knuffeltje. De verzorgers hadden die voor mij gemaakt. Onze groep werd de groep ‘Onbekende Kinderen’ genoemd, omdat de Duitsers niet wisten hoe wij heten. Alleen mijn naam was bekend, waarom weet ik niet. Op een kwade dag moesten wij met de hele groep kinderen met de trein. We gingen naar Bergen Belsen. De omstandigheden waren daar heel slecht, maar gelukkig zijn we er niet lang gebleven. Een baby’tje, Henriëtte, was in de trein overleden. Er was geen eten en er waren veel ziektes waar iedereen aan dood ging. Wij zijn daarna naar Theresienstadt gestuurd. De situatie daar was niet zo slecht omdat Hitler er een ‘modelkamp’ van had gemaakt. Zo wilde hij aan het Rode Kruis laten zien dat het allemaal niet zo heel erg was. Wij kregen bijvoorbeeld mooie kleertjes aan. Op een hele goede dag kwamen de Russische soldaten. We waren bevrijd en konden naar huis. Ik ben met een vliegtuig van een van de soldaten meegevlogen naar Nederland. Daar aangekomen vond mijn moeder mij weer. Ik was inmiddels een heel ander, mager en ziek kindje dan de wolk van een baby die ze had moeten achterlaten. We kenden elkaar niet meer, maar ik vond het wel een aardige vrouw dus ik ging met haar mee.”


  • 0

Merelstraat

Khalloud, Nebi, Kaylee van basisschool Het Vogelnest in Noord interviewen de 89-jarige Aard Bax in het veteranenhuis in Amsterdam-Noord. Hij is daar vrijwilliger en praat er geregeld met (ex-) militairen over hun missies. Hij heeft zelf in Nederlands-Indië gevochten. Als kind woonde hij tijdens de oorlog in Noord. Aard Bax kan zich nog veel herinneren van deze tijd en hij heeft een aantal bijzondere spullen bewaard die hij de kinderen laat zien.


Waren er ook leuke dingen in de oorlog?

“In het begin gingen alle jeugdverenigingen gewoon door met hun activiteiten. Voetbal, volleybal en andere clubjes bleven bestaan. Aan het einde van de oorlog was het natuurlijk voor iedereen hopeloos. Als de avond viel, om 8 uur, mocht je niet meer naar buiten en dan werd het lastig. Er was geen verlichting, je liep allemaal met een ‘knijpkat’, een handmatig bestuurbare zaklantaarn. Binnen speelden we wel veel spelletjes. Er werd bij ons thuis bijvoorbeeld veel gesjoeld. De avond bracht je door, als er licht was, samen met je familie. Ook deden we veel kaartspelletjes. Het was dus ook wel een gezellige periode.”


Wat is het meest bijzondere dat u zich herinnert van de oorlog?

“Het ergste was natuurlijk het bombardement hier in Noord. We waren thuis tijdens de bombardementen. Dat merkten we wel want de ramen en deuren trilden ervan. Gelukkig viel de bom niet op ons huis, maar wel dichtbij op het oude politiebureautje. Daar zijn zes doden gevallen. Zes vrouwen kwamen levend onder het puin vandaan. De dag dat het gebeurde, kregen we een heerlijke soep met pap in de gaarkeuken in de Laanweg. In de loop van de tijd werd het eten steeds slechter. Zelf heb ik nooit van de gaarkeuken hoeven eten. Om ons heen werden brandnetels, suikerbieten en bloembollen gegeten. Daar werd soep van gemaakt. Brandnetels prikten niet in je maag als je ze kookte. Wij hadden het geluk dat mijn moeder altijd wel ergens eten vandaan wist te halen. Wat we nauwelijks hadden, was kleding. Er werden bijvoorbeeld geen zolen van sokken meer gemaakt, waardoor je alleen maar een gebreid lapje om je voet had, bij elkaar gebonden door een elastiek. Het leek niet eens op een sok.”

Waren er toen al Nikes?
“Haha, nee die waren er niet. Iedereen had hele grauwe, saaie en versleten kleding, zonder kleur. Alles kriebelde heel erg. De voorkant van schoenen werden opengeknipt als je voeten groeiden.”


Wat deed uw vader in de oorlog?

“Mijn vader was ‘straatpilaar’ bij de Amsterdamse gemeentepolitie, zoals hij dat zelf noemde. Hij kwam in Noord te zitten en heeft er veel meegemaakt. De Duitsers namen bijvoorbeeld hun fietsen in waardoor ze overal naartoe moesten lopen. Je kon alleen niet ver lopen met een lege maag… Toen het politiebureau in de Vogelbuurt werd gebombardeerd, werden ze ergens anders geplaatst. Het Amsterdamse politiekorps was in twee kampen verdeeld, de groep die zich aansloot bij de NSB en de Duitsers, en de groep die zich inzette voor het verzet. Mijn vader heeft veel voor het verzet gedaan. Zo hielp hij kinderen ontsnappen uit de Joodse kindercrèche bij de Hollandsche Schouwburg. Daar werden de kinderen van Joodse mensen die waren opgepakt om te worden afgevoerd, tijdelijk ondergebracht. De kinderen werden later op de trein gezet, maar tijdens de tocht naar de trein werden sommigen van straat gehaald en gered. Mijn vader heeft uiteindelijk een onderscheiding gekregen voor zijn verzetsdaden in de oorlog. Hier zie je een oranje vlaggetje dat ze na de oorlog om hun arm konden spelden.”


  • 0

Spechtstraat 43

Els Burger komt basisschool Het Vogelnest binnen met een grote tas. Ze heeft allemaal oude spulletjes uit de oorlog meegenomen, die ze nog bewaard heeft. Zelfs een blikje smeerkaas dat met de voedseldroppingen net na de bevrijding uit de lucht kwam vallen. Ze had er 30 jaar later van geproefd maar het was erg vies! Het is een bijzonder interview, want Els heeft als kind zelf op Het Vogelnest, toen nog de Mussenstraatschool, gezeten. Ze geeft ons een rondleiding door de buurt en weet van alles over de oorlog te vertellen.

 

Wat kunt u zich nog herinneren van de oorlog?
“Ik heb het niet heel bewust meegemaakt. Ik kan mij wel herinneren dat toen het bombardement hier was, onze deur niet meer open kon. De deur is uiteindelijk opengestoten en ik zag allemaal militairen en werknemers die kwamen helpen met opbouwen. De helft van de straat was weg. Toen ons huis weer gefatsoeneerd moest worden, zijn we tijdelijk aan de andere kant van de Spechtstraat gaan wonen. Ik kan mij ook nog herinneren dat ik met mijn opa en oma soms stiekem ‘s nachts in de volkstuin zat. Dat mocht niet, want er was spertijd waarbij niemand na acht uur de straat op mocht. Ook luisterde ik stiekem samen met mijn opa naar Radio Oranje. Mijn vader moest verplicht in Duitsland werken. Hij had daar een granaat gevonden, die hij gebruikte als werkkruik. Hij had hem vanuit Duitsland mee naar Nederland genomen. Mijn oma heeft nog voor de granaat een kous gebreid die eromheen kon. Zo hadden ze warme voeten in bed.”


Wat was er te eten in de oorlog?

“Als je honger had, ging je voedsel halen in Waterland bij de boeren. Daar ruilde je bijvoorbeeld een stuk zeep voor een kilo aardappelen. Wij hadden in de keuken een heel klein kacheltje en daar kookte mijn moeder de suikerbieten. Op een gegeven moment was ze in een andere kamer en toen hebben mijn zusje en ik het pannetje stiekem uitgelikt. Na de bevrijding waren er voedseldroppingen. Mijn vader wist snel een ton met voedsel te bemachtigen. In deze ton zat bijvoorbeeld krentenbrood en smeerkaas. Dit blikje smeerkaas kwam ik tegen in de koelkast van mijn tante, die het zonde vindt om iets weg te gooien… Ik proefde de smeerkaas van vijftig jaar oud en het was zo vies. Afschuwelijk!”


Kende u Joodse mensen in de buurt?

“Om de hoek van de school zit een winkeltje. Daar had de Joodse Japie Cohen met zijn familie een sigarenboertje. In het begin van de oorlog heeft de politie de familie aangehouden, maar iedereen in de buurt kende Japie. De politie heeft toen eerst nog een oogje dichtgeknepen, maar uiteindelijk zijn ze alsnog opgepakt en naar het politiebureau gebracht. Gelukkig heeft één dochtertje kunnen weglopen. Maar de vader en de moeder en het zusje zijn naar een concentratiekamp gestuurd en nooit meer teruggekomen. Ik wil heel graag dat er een struikelsteentje wordt gelegd voor de familie Cohen.  Ik had ook een Joods vriendinnetje, Marleen. Zij woonde met haar familie in de Pelikaanstraat. Als ik na de oorlog bij haar ging spelen en we naar binnen gingen, riep ze altijd heel hard: ‘Mama, ik ben het, Marleen!’ Haar moeder was er niet, maar er stond wel een grote kast in de kamer. Haar moeder zat vaak verstopt in de kast, zo bang was ze. Haar vader en broers werkte bij Hollandia Kattenburg. Zij zijn opgepakt en naar een concentratiekamp gebracht. Haar moeder was teruggekomen uit het kamp, maar nog steeds doodsbang na alles wat ze daar had meegemaakt. Heel zielig was dat.”


  • 0

Eerste Disteldwarsstraat 2

Zayed, Rayaan, Esma en Iman van basisschool Het Vogelnest zijn nog nooit in Purmerend geweest. In een ruime verzorgingsflat wonen op de 4e verdieping Jo en Wim Oostervink. Samen met Mollie de poes. Het is zo gezellig bij Wim en zijn vrouw Jo dat zij na afloop van het interview meteen vragen wanneer de kinderen weer terugkomen.

Hoe voelde u zich toen de oorlog begon?
“Ik was ongeveer net zo oud als jullie, dus de oorlog zei me niet zoveel. Ik kon me bijvoorbeeld niet voorstellen dat mensen elkaar gingen doodschieten. Tot er op een dag een Engels vliegtuig neerstortte op de Blauwburgwal in Amsterdam. Toen was iedereen ineens op zijn hoede, als kind is dat heel beangstigend. Mijn vriendjes en ik dachten eerst nog dat de Engelsen en Amerikanen ons wel zouden helpen, maar daar kwam niks van terecht… Duitsland had zo’n verschrikkelijk groot leger waarmee het Europa binnendrong. Toen dat gebeurde was ik bang, pas toen begreep ik er iets van.”

Hoe oud was u toen de bommen vielen in Amsterdam-Noord?
Ik was 13 en werkte sinds kort als loodgieter in het centrum van Amsterdam. Die dag stond ik op een dak ergens op de Prinsengracht, toen ik ineens allemaal rookpluimen in Noord zag. Ik realiseerde me dat dit de plek was waar mijn huis stond. Als een razende ben ik op de fiets naar Noord gereden. Toen ik aankwam bij de Van der Pekstraat, bleek er een bom te zijn ingeslagen in de dikke boom die in het perkje voor ons huis stond. Van die boom was niks meer over en in ons huis zaten geen ramen meer. Alle dakpannen waren van het dak. Mijn moeder en mijn zusje waren thuis tijdens de inslag. Door de klap waren ze als het ware de keuken ingeslagen. Helemaal in de war zaten ze in de kamer op een stoel. Mijn vader kwam snel naar huis en heeft meteen alle dakpannen die nog heel waren, op het dak gelegd. Gelukkig konden we in ons huis blijven wonen.”

Kunt u wat vertellen over de Hongerwinter?
Ik was ongeveer 14 jaar oud, een leeftijd waarop je eigenlijk veel eten nodig hebt. Maar er was niks. Bij de gaarkeuken kon je met je pannetje en wat voedselbonnen eten halen, voornamelijk suikerbieten en aardappelschillen. Die schillen kwamen van de Duitsers vandaan en werden dan nog weleens, per gratie, gegeven aan mensen die geen eten hadden. Er zaten helemaal geen voedingsstoffen in, je had meteen weer honger, maar het was het enige eten dat we kregen. Mijn tweelingzussen Immie en Marie waren 17 jaar en werkten in een bejaardentehuis op de Amstel, de Hervormde Diaconesseinrichting. Ze woonden er ook en kregen er wat te eten. Dat scheelde weer bij ons thuis. Ze moesten daar bejaarden afleggen, zo heet het als je dode mensen moet aankleden en in een kist moet leggen. Dat deden ze alleen omdat ze dan een heel klein beetje eten kregen.”


  • 0

Kwartelstraat 53

Annie Onderwater heeft zich goed voorbereid op het interview met Daan, Emma, Mia en Zonna van basisschool Het Wespennest in Noord. Ze heeft alvast een paar boekjes klaargelegd over de bombardementen in 1943, toen de geallieerden per ongeluk een woonwijk in Noord bombardeerden in plaats van de Fokkerfabriek bij de Distelweg. Ook heeft ze nog de persoonsbewijzen van haar ouders en laat ze voedselbonnen zien waarmee je in de oorlog eten kon kopen. Mevrouw Onderwater blijkt een vlotte verteller met een goed geheugen. De kinderen luisteren aandachtig.

 

Wat weet u nog van het bombardement op de Ritakerk in Noord?
“Op zaterdag 17 juli 1943 werd in de Ritakerk een mis gehouden vanwege het 25-jarig jubileum van de kerk. Het was een echt feest! Ook ik was erbij, in mijn deftige ‘bruidjesjurk’ die ik als katholiek meisje droeg. De kerk was vol. Om een uur of 9 klonk ineens het luchtalarm… De pater verbood de mensen de kerk te verlaten; ze moesten onder de banken kruipen. Na een aanzwellend gierend geluid viel door het dak een zware bom die in de grond onder de kerk ontplofte. Het was op slag donker door een dikke stofwolk. Ik zat gelukkig naast een deur en kon naar buiten vluchten. Ik rende naar ons huis in de Kwartelstraat. Onderweg kwam ik mijn vader tegen en samen zijn we naar een park aan de Adelaarsweg gevlucht, net als veel andere mensen. In onze paniek dachten we dat we daar het veiligst waren. Maar mensen in zo’n panieksituatie doen ook maar wat. We zagen bijvoorbeeld mensen in het Volewijckerpark lopen met kussens op hun hoofd nadat het luchtalarm was afgegaan… Na het bombardement was ik bang voor het luchtalarm en ook voor onweer. Zelfs toen de oorlog allang was afgelopen, schrok ik van een eskader vliegtuigen dat overvloog.“


U heeft nog een keer een bombardement meegemaakt, hoe was dat?

“Toen op een ochtend weer het luchtalarm afging, was ik thuis met mijn moeder en mijn jongere zusje Beppie. Mijn moeder zat nét op de WC en riep dat we snel naar haar moesten, dus ik, Beppie en mijn moeder schuilden samen in de wc die midden in ons huis stond. In de buurt sloegen bommen in en daardoor werden alle ramen uit ons huis geblazen. Scherven vlogen in het rond, maar omdat we op de wc zaten, werden we niet geraakt. Het huis was een tijd onbewoonbaar. Niet alleen zaten er geen ramen meer in, ook de deuren konden niet meer dicht. We hebben zes weken in Den Bosch gewoond bij onze grootouders, daarna konden we weer terug. Ons huis in de Kwartelstraat staat er trouwens nu nog…”


Wat deed uw vader in de oorlog?

“Mijn vader werkte bij Stork, een machinefabriek in Noord, op de plek waar nu de Jumbo Foodmarkt zit. In de fabriek waar mijn vader werkte, werden machines gemaakt om flessen te spoelen, zoals melkflessen voor de melkfabriek. De Duitsers hielden er wel eens razzia’s. Dan zochten ze mannen die in de juiste leeftijdscategorie vielen, om ze in Duitsland voor de Duitsers te laten werken. Mijn vader bleef dat lot bespaard omdat Stork in zijn persoonsbewijs de cijfers van zijn geboortejaar stiekem had aangepast zodat het leek of hij geboren was in 1903 in plaats van in 1906.  Daarmee was hij volgens de Duitse regels te oud om te werken in Duitsland.”


  • 0

Duindoornplein 10

‘Wat een gezellig hofje!’, roepen Jette, Isara, Jill en Naoufal van basisschool Het Wespennest als ze het Duindoornplein in Noord oprijden. Riet de Groot woont hier al haar hele leven. Eerst op nummer 10 en nu op nummer 14. ‘Gelukkig hebben wij het interview bij iemand thuis’, zegt Jill, ‘ik vind het altijd zo leuk om te zien hoe iemand woont’. Binnen staan de chipjes en de priklimonade al op tafel. De kinderen steken van wal.

 

Kende u Joodse mensen?
“Mijn vader was half Joods en zag er ook echt Joods uit. De Duitsers hielden hem daarom geregeld op straat aan. Maar mijn moeder was christelijk en daarom lieten ze hem ook weer gaan. Hij hoefde ook geen ster te dragen. Mijn zus, die in de oorlog echt een tiener was, was verliefd op een Joodse jongen in de buurt. Ze zwaaiden vaak naar elkaar. We plaagden haar geregeld als hij vanaf het balkon weer eens naar haar zwaaide. ‘Kijk Jo’, zeiden we dan, ‘daar heb je die jongen weer!’. Op een zomerse middag reden de Duitsers met overvalwagens de straat in om Joden uit hun huizen te halen. Die Joodse jongen stond op het balkon, die wou natuurlijk niet mee. In zijn wanhoop sprong hij van het balkon. Hij schreeuwde het uit van de pijn, maar ze hebben hem gewoon meegesleept, de wagen in. Het gezin is nooit meer teruggekomen, heel triest. Ook een Joodse familie met veel kinderen die hier in de buurt woonde, is weggehaald en nooit meer teruggekeerd.”

Hoe heeft u de Hongerwinter doorstaan?
“Ik heb erg veel honger gehad. Mijn moeder ging op de fiets naar de Beemster om linnengoed te ruilen voor eten. Maar tegen het einde van de oorlog wilden de boeren alleen nog goud. Mijn moeder heeft toen haar trouwring geruild voor aardappelen. Met mijn zus ben ik een keer in hartje winter, met zo’n laag sneeuw, over de draaibrug bij de Buiksloterdijk gegaan op zoek naar voedsel. Links​ ​had je een grote boerderij, met een boer die koeien en heus ook wel eten had. We belden aan, broodmager waren we, maar de boer zei dat hij niks voor ons had. Toen zijn we een stukje verderop naar het huisje van de knecht gegaan. Zijn vrouw had zo’n medelijden met ons dat we een kliekje koude zuurkool kregen, verpakt in een krant. Daar smulden we van. We lieten wel wat over voor mijn broertje Jantje.”

Bent u ook nog in de oorlog weggegaan?
“In 1944 zijn mijn 7-jarige broer Jantje en ik naar Enkhuizen gebracht om aan te sterken. Mensen van onze kerk hadden dat geregeld. We voeren een hele nacht in een boot over het IJsselmeer, met wel dertig kinderen. We lagen op strozakken. Bij Pampus zaten Duitsers, daar ging het licht van de boot uit en moesten we heel stil zijn. Ik maakte steeds mijn ogen nat omdat ik niet in slaap wilde vallen, zo bang was ik dat mijn broertje op onze strozak zou plassen. We werden in het donker aan de kade van Enkhuizen gezet. Bij onze pleegouders kregen we bruine boren met spekvet. Omdat we zo lang zo slecht hadden gegeten, werden we er ziek van. We moesten zelfs naar het ziekenhuis. Een maand bleven we bij onze pleegouders. Mijn broertje huilde aanvankelijk aan een stuk door omdat hij in een ander gezin was ondergebracht. Gelukkig hebben ze het toen zo geregeld dat we samen telkens twee weken bij het ene gezin en daarna twee weken bij het andere gezin konden blijven. Na een maand kwam mijn moeder ons met de fiets halen, dat hele eind… Ze had een koffer achterop gedaan waar we om de beurt op konden zitten. Maar ze was zelf zo uitgeteerd dat ze niet kon fietsen met een kind achterop. Daarom zijn we gaan lopen, ook nog met een omweg omdat er een polder onderwater was gezet. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat waren we onderweg. Bij Broek in Waterland hield mijn moeder een melkboer aan met paard en kar en vroeg of we achterop mochten. Zij fietste met de kar mee. Alleen sloeg het paard op hol. Pas bij Zunderdorp, waar de melkboer moest zijn, was alles weer onder controle. Wij liepen weer verder, in het donker. Doodsbang waren we want het was spertijd. Toen we eindelijk thuis kwamen, zakte mijn moeder door haar benen, zo moe was ze. Maar mijn broertje en ik waren zo blij dat we nog even het dijkje bij ons huis opliepen.”


  • 0

Plejadenplein 9

Dat John Geelof vroeger meester was, merk je nog aan alles. Niet alleen is zijn verhaal goed voorbereid en geïllustreerd met prachtige foto’s in een PowerPoint presentatie…hij laat ook verschillende geluids- en filmfragmenten uit die tijd horen en legt Cancu, Madelief, Alex en Lizzie van basisschool Het Wespennest uitgebreid uit hoe het leven in Amsterdam-Noord er in die tijd uitzag. Het Plan van Gool met Het Wespennest en het Buikslotermeerplein bestonden nog niet.


Merkte u al wat vóór de oorlog?

“Mijn vader was schoolmeester, net als ik, maar in 1939 moest hij in dienst. Eerst in Muiderberg en later werd hij overgeplaatst naar Tuindorp Oostzaan om vliegveld Buiksloot te bewaken. Zo kon hij zijn gezin ook nog even bezoeken. Tijdens dat bezoek heeft mijn vader mij een harde klap op mijn kop gegeven. Ik voel het nog duizelen. Normaal gesproken sloeg hij nooit, maar waarom nu dan wel? Hij had een handgranaat bij zich die hij even op de piano had gelegd. Ik zag die granaat liggen en wilde hem juist eens goed bekijken toen mijn vader binnenkwam… Als die handgranaat was afgegaan, waren we er allemaal geweest.”

Kende u iemand in het verzet?
“Mijn vader zat in het verzet, hij werkte voor een geheim krantje Paraat en smokkelde wapens. Toen iedereen zijn radio moest inleveren, verstopte hij onze radio om stiekem toch naar Radio Oranje te kunnen luisteren. Maar de muren waren zo dun dat onze buren het ook konden horen. De dochter van de buurvrouw had Joden geholpen te vluchten. Haar moeder was bang dat als de Duitsers mijn vader zouden pakken voor zijn geheime radio, ze meteen ook haar dochter zouden arresteren. Daarom zei ze tegen mijn vader: ‘Die radio gaat weg of ik verraad je’. Mijn vader moest ook een keer met een tas vol wapens naar het centrum van de stad en besloot de tram te pakken. Dat was heel dom van hem want plotseling werd de tram stilgezet en stapten er Duitse soldaten in die de mensen gingen controleren. Mijn vader besloot te bluffen en schreeuwde in het Duits dat het schandalig was dat hij gecontroleerd werd terwijl hij op weg was naar het hoofdkantoor. De Ortskommandantur zou daar niet blij mee zou zijn, zei hij. Hij werd niet gecontroleerd en kon gewoon uitstappen. Pffff, kantje boord!”

Hoe is het afgelopen met uw vader?
“Uiteindelijk is mijn vader opgepakt omdat hij in de klas waar hij lesgaf, een foto van de koningin had gehangen. Een dochter van een NSB’er bij hem in de klas heeft hem verraden. Hij werd afgevoerd naar het administratiekantoor in de Terpenstraat, maar heel toevallig werd er net brand gesticht door het verzet op het moment dat hij daar zat. De Duitsers, in paniek door de brand, schreeuwden dat hij weg moest gaan. Toen is hij gewoon de deur uitgelopen, de straat op. Maar daarna moest hij wel onderduiken in Drenthe.”


  • 0

Van der Pekstraat 88-90

Eva, Maas en Eva van basisschool het Wespennest in Noord zijn benieuwd naar de oorlogsverhalen van Hans van ’t Veer. Zou hij er nu nog verdrietig van worden om over deze periode te praten? Meteen bij binnenkomst wordt de toon gezet… ‘Heb maar geen medelijden met mij’, zegt Hans van ‘t Veer, ‘want wij hebben het -voor die tijd dan- best leuk gehad. Als klein jongetje kan de oorlog ook heel spannend zijn.’


Waren er bombardementen in uw buurt?

“Ik heb een keer een bombardement meegemaakt. Halverwege de NDSM en de pont had je de Fokkerfabriek. Dat was de reparatiewerkplaats van de Duitse oorlogsvliegtuigen. Je kunt aan het bommenpatroon zien waar het tijdens het bombardement is misgegaan. Het was namelijk nooit de bedoeling dat de geallieerden woonwijken in Amsterdam-Noord zouden bombarderen. Vijf vliegtuigen vlogen naast elkaar en waren 2 of 3 seconde te laat met het indrukken van de knop van het bommenluik. Niet Fokker… maar woningen werden geraakt. Gelukkig waren er relatief weinig slachtoffers. Ons huis was ook flink beschadigd, de ramen en deuren lagen eruit. Op de dag dat de nabijgelegen Ritakerk werd er gebombardeerd, was ik toevallig net thuis omdat ik schoolziek was. Toen heb ik toch wel geluk gehad. Daarna ben ik een aantal weken naar familie in Bussum gestuurd omdat de boel weer gerepareerd moest worden. In de vier weken dat ik weg was, zijn er een paar Engelse vliegtuigen overgevlogen en die hebben alsnog met twee bommen de Fokkerfabriek platgegooid.”

Gingen er nog ponten in de oorlog?
“Ja, die gingen altijd. Behalve toen er geen kolen meer waren. Toen hebben ze de ponten aan elkaar gelegd. Tussen de ponten lag een ponton, een bewegend gedeelte. Om het uur verschoof dat ponton zodat het scheepsverkeer er nog tussendoor kon. En om het uur werden alle ponten aan elkaar vastgemaakt en dan kon je dus van Noord naar de stad komen. Nog niet zo lang geleden hebben ze dat nagedaan, op Bevrijdingsdag.”

Met wat voor speelgoed speelde u in de oorlog?
“We hadden nauwelijks speelgoed. Al vond ik buitenspelen in die tijd hartstikke spannend. We voetbalden dan ook veel op straat. Alleen als het luchtalarm afging, wat vier a vijf keer per dag gebeurde, moesten we bij het eerste het beste huis naar binnen. Mijn vriendjes en ik haalden ook veel kattenkwaad uit. De bombardementen waren natuurlijk niet leuk, maar ik heb er ook goede herinneringen aan. We hebben bijvoorbeeld de restanten van gebombardeerde huizen naar beneden gehaald. Een beetje rotzooitrappen deden we toen wel. Zo heb ik ook in bomkraters gezwommen. Maar dat heb ik maar twee keer gedaan, want toen werden mijn ouders zo kwaad dat ik dat maar niet meer deed. Het was erg vies water en er zwommen ook ratten in die allemaal vreselijke ziektes overbrachten. Je had geen zwembroek, dus je ging er gewoon in je ondergoed in. Harstikke leuk voor kinderen. Maar ook wel gevaarlijk, dus nu begrijp ik mijn ouders wel.”