Toen we uit de schuilkelder kropen was het één grote chaos met rook en vuur.
We moesten bedelen bij de rijke mensen op de Laan van Meerdervoort om eten.
Tijdens de oorlog kreeg je geen cadeaus, zo was het nou eenmaal.
'Papa! Kom maar beneden hoor, ze zijn er niet meer!' Maar één van de landverraders stond nog in de gang.
Soms vroor het in de hongerwinter wel 20 graden.
We vroegen ook om ‘cigarettes for daddy’. Maar die rookten we stiekem zelf op.
Je zag zo’n vliegtuig naar beneden duiken en dan hoorde je ‘tak tak tak!’ de kogels in het water spatten.
Ineens stonden er Nederlandse soldaten in onze tuin, met getrokken geweren.
Opeens schoten de soldaten de vriend van mijn vader dood.
De Duitse militair gaf zijn dagrantsoen aan eten aan mijn vader, voor mij en mijn zusje.